Beëindiging van de partneralimentatie: is het gedrag van de ex-partner van invloed op de duur van de alimentatie?

 

Wanneer een van de ex-partners na een scheiding niet genoeg inkomsten heeft om van te leven dan heeft de ander de plicht om in deze kosten bij te dragen. Deze bijdrage voor levensonderhoud wordt partneralimentatie genoemd. Het recht op partneralimentatie is in beginsel gebonden aan wettelijke termijnen.

 

Onlangs heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gedaan over het definitief eindigen van de partneralimentatie vóórdat de wettelijke termijn is verstreken. Uit deze uitspraak blijkt dat de rechter de mogelijkheid heeft om de bijdrage voor levensonderhoud vroegtijdig te beëindigen, maar dat een dergelijke beslissing wel dient te voldoen aan hoge motiveringseisen.

 

In de betreffende uitspraak moest de Hoge Raad beoordelen of het eerdere oordeel van het Gerechtshof voldoende was gemotiveerd. Het Gerechtshof had de beslissing om het verzoek van de alimentatieplichtige, de man, tot beëindiging van de alimentatieplicht toe te wijzen gestoeld op een drietal omstandigheden: (I) dat de alimentatiegerechtigde, de vrouw, een erfenis had ontvangen van een derde, met wie zij een ‘bijzondere relatie’ had, en de ontvangst van die erfenis voor de man verborgen had gehouden, (II) dat de vrouw had nagelaten om zowel het Gerechtshof als de man actief te informeren over haar financiële positie en (III) dat de vrouw zich onvoldoende had ingespannen om in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien.

 

Naar de mening van het Gerechtshof was de lotsverbondenheid tussen partijen komen te vervallen door enerzijds de bovenstaande gedragingen van de vrouw en anderzijds doordat partijen al geruime tijd waren gescheiden.  

 

De Hoge Raad kwam tot de conclusie dat de uitspraak van het Gerechtshof onvoldoende was gemotiveerd. De door het Gerechtshof genoemde omstandigheden kunnen weliswaar van belang zijn voor de vaststelling en de hoogte van de partneralimentatie, maar het verzoek van de man zag daarentegen op het beëindigen van de partneralimentatie, aldus de Hoge Raad. Voorts wijst de Hoge Raad in deze uitspraak erop dat het Gerechtshof ook heeft nagelaten om de omvang van de betreffende erfenis vaststellen.

 

Daarnaast benadrukt de Hoge Raad dat het tijdsverloop sinds het einde van het huwelijk in relatie tot de lotsverbondenheid niet kan bijdragen aan het oordeel dat de alimentatieplicht moet worden beëindigd.

 

Voor zover het Gerechtshof in de onderhavige zaak in aanmerking heeft genomen dat de vrouw onvoldoende inspanningen heeft verricht om in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien, maakt de Hoge Raad ook daarmee korte metten. De Hoge Raad is van mening dat het Gerechtshof heeft miskend dat de bewijslast ter zake de verdiencapaciteit van de vrouw op de man als alimentatieplichtige rust, aangezien de man heeft verzocht om beëindiging van de alimentatieplicht.

 

De conclusie luidt dan ook dat de gedragingen van een ex-partner ervoor kúnnen zorgen dat de alimentatieverplichting wordt beëindigd vóórdat de wettelijke termijn is verstreken. Echter dient een dergelijke beslissing van de rechter wél aan hoge motiveringseisen te voldoen. Voorts geldt dat het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van lotsverbondenheid géén grond kan zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting, ook niet in samenhang met andere omstandigheden.

 

Zodoende is het voor zowel alimentatieplichtigen als alimentatiegerechtigden verstandig om op de hoogte te zijn van de omstandigheden waaronder de rechter een bijdrage voor levensonderhoud (vroegtijdig) kan beëindigen.

 

Heeft u hier vragen over, of advies nodig? Neem dan gerust contact op met SPEE advocaten & mediation.

 

De uitspraak kunt u hier lezen.