Co-ouderschap: wanneer recht op inkomensafhankelijke combinatiekorting?

 

De inkomensafhankelijke combinatiekorting is bedoeld als een tegemoetkoming voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Het wordt hierdoor voor ouders met kinderen aantrekkelijker om betaald werk te accepteren. In geval van echtscheiding kunnen beide ouders onder voorwaarden profiteren van deze korting.  De Belastingkamer van de Hoge Raad heeft onlangs uitspraak gedaan over hoe de zorgregeling eruit moet zien om in aanmerking te kunnen komen voor deze korting.

 

Als er sprake is van een regeling waarbij gescheiden ouders ongeveer gelijk delen in de zorg voor een kind wordt vaak gesproken van co-ouderschap. Er moet bij co-ouderschap wel een keuze gemaakt worden op welk adres het kind wordt ingeschreven in de gemeente.

 

Voorwaarde voor de inkomensafhankelijk combinatiekorting is dat het kind staat ingeschreven op het woonadres van degene die de korting ontvangt. Het kind moet jonger zijn dan 12 jaar en tenminste 6 maanden in het kalenderjaar bij de gemeente op het woonadres van de ouder ingeschreven zijn. Bij co-ouderschap wordt echter een uitzondering gemaakt.  De ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven kan toch aanspraak maken op de korting als het kind doorgaans minimaal 3 hele dagen per week in elk van de huishoudens verblijft.

 

Hoe hoog de korting is, is afhankelijk van het arbeidsinkomen. Dit kan voor dit jaar oplopen tot maximaal € 2881,-.

 

De Hoge Raad moest zich onlangs buigen over een zaak waarbij een tweewekelijkse zorgregeling was afgesproken. Het kind stond ingeschreven bij de moeder en verbleef volgens de afgesproken regeling in de ene week 4 dagen bij de vader en in de andere week 2 dagen.  De vader had in zijn aangifte inkomstenbelasting aangegeven dat hij recht had op de combinatiekorting.

De inspecteur van de Belastingdienst was het hier niet mee eens. Een kind kan tegelijkertijd tot twee huishoudens behoren als het in vrijwel gelijke mate in de huishoudens van beide ouders blijft en daarvan is sprake als het kind doorgaans tenminste 3 tot 3,5 dag per week in elk van beide huishoudens blijft. Strikt uitgelegd voldeed de vader dus niet aan het criterium.

De Hoge Raad oordeelde, dat het criterium niet zo strikt moet worden uitgelegd en dat deze zorgregeling voldeed aan de eis dat beide ouders de zorg voor het kind gelijkelijk verdelen. Over een periode van twee weken was het kind gemiddeld wel 3 dagen per week bij de vader. Het ging hier om een regelmatig en bestendig verblijfsschema.

Beide ouders kunnen dus ook aanspraak maken op de inkomensafhankelijke combinatiekorting wanneer zij de zorg voor de kinderen gelijkelijk verdelen in een ander duurzaam ritme dan doorgaans tenminste drie dagen per week.

Heeft u vragen over co-ouderschap en de inkomensafhankelijke combinatiekorting of heeft u een andere vraag over het personen- en familierecht? Neem dan gerust vrijblijvend contact op met een van onze advocaten. We zijn u graag van dienst!