Kwaliteit en Innovatie rechtspraak (KEI): wat is de stand van zaken?

 

Met het programma Kwaliteit en Innovatie rechtspraak (KEI) moet de rechtspraak aansluiten bij de digitalisering van de samenleving en moeten procedures sneller en eenvoudiger worden. Dat is het doel van KEI, waarmee in 2017 een begin werd gemaakt. Hoe staat het er nu, twee jaar later, eigenlijk voor?

 

In 2017 is de Hoge Raad als eerste van start gegaan met KEI. Sinds 1 maart 2017 geldt de KEI-wetgeving namelijk voor civiele vorderingszaken die vanaf die datum bij de Hoge Raad aanhangig werden gemaakt.

 

Daarnaast werd op 1 september 2017 een verplichte pilot gestart bij de Rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland. De pilot werd gestart voor (nieuwe) handelsvorderingszaken waarbij procesvertegenwoordiging door een advocaat verplicht is.

 

De planning was aanvankelijk dat, als het digitale systeem goed zou werken en zich geen andere problemen zouden voordoen, na vijf maanden ook andere rechtbanken zouden volgen in dat soort zaken. Na weer vijf maanden zouden vorderingszaken in hoger beroep volgen. Dat zou voorafgegaan worden door een pilot bij één of twee gerechtshoven. Vervolgens was het de bedoeling dat de KEI-wetgeving zou gaan gelden voor vorderingszaken bij de kantonrechter, voor verzoekzaken bij alle rechtbanken en voor het kort geding. Dit steeds na een pilot bij alle rechtbanken.

 

De verdere landelijke invoering werd echter in december 2017 uitgesteld door de Raad voor de rechtspraak. Het realiseren van het digitaal procederen bleek complexer dan voorzien en kost daardoor meer tijd en geld.

 

Het oorspronkelijk plan is om die reden aangepast. De Raad voor de rechtspraak werkt inmiddels aan een nieuw (eenvoudiger) digitaal systeem en heeft daarvoor een (basis)plan opgesteld. Het plan voorziet nu in gebruiksvriendelijke stappen, per zaakstroom[1]. De bedoeling van het plan is dat per zaakstroom, op basis van vrijwilligheid, wordt gestart met de digitale indiening van stukken. Wanneer blijkt dat het resultaat goed is kan het digitaal procederen volgens de KEI-wetgeving verplicht worden gesteld.

 

Door de minister is in een brief aan de Tweede Kamer d.d. 15 november 2018 positief gereageerd op dit plan. Hij merkt in de brief onder andere op dat de KEI-wetgeving door het parlement is aangenomen en dat het de bedoeling blijft om de daarin opgenomen vereenvoudigingen van het civiele procesrecht zo snel mogelijk door te voeren. De minister onderzoekt hoe de KEI-wetgeving ingevoerd kan worden zonder de verplichte digitalisering. In zijn onderzoek wordt ook de wens van de Raad voor de rechtspraak betrokken om de pilots bij de Rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland te stoppen. De minister verwacht dat hij daar begin 2019 meer duidelijkheid over kan geven.

 

De minister streeft ernaar dat men, ondanks al het ‘KEI-geweld’, toch blijft nadenken en experimenteren met alternatieven voor het procesrecht. Daarvoor dient mede het conceptwetsvoorstel Experimentenwet rechtspleging. Die wet biedt de mogelijkheid voor experimenten met innovatieve gerechtelijke procedures.

 

Door alle aandacht voor de digitalisering waarin KEI voorziet, lijkt men te vergeten dat er met de komst van KEI al een en ander veranderd is. Er zijn per 1 september 2017 namelijk al een aantal bepalingen uit de KEI-wetgeving landelijk en onvoorwaardelijk in werking getreden. De nieuwe bepalingen gelden enkel voor zaken die na 1 september 2017 aanhangig zijn gemaakt. Zo kan de rechter nu bijvoorbeeld mondeling uitspraak doen op de zitting (hierover in één van onze volgende artikelen meer).

 

Er zijn dus al een aantal bepalingen in werking getreden, maar de tijd zal moeten uitwijzen hoe en wanneer KEI in zijn gehéél in werking zal treden. Daarbij probeert men ook op andere manieren te innoveren in het procesrecht. Het ziet er dus naar uit dat er de komende jaren nog heel wat veranderingen aan zitten te komen. Wij houden u op de hoogte! 

 

Wilt u hier meer over weten? Of wilt u advies? Neem dan gerust contact op met een van de advocaten van SPEE advocaten & mediation! Wij staan u graag met raad en daad ter zijde!

 


[1] Ondanks dat dit begrip vaak wordt gebruikt is het nauwelijks gedefinieerd. In dit basisplan wordt het begrip gebruikt voor een vanuit het procesrecht en/of materiële recht af te bakenen groep zaken, zoals kort gedingen bij civiel, verzoekschriften arbeidsrechtzaken bij kanton, ambtenarenzaken en Mulderzaken bij bestuursrecht.