Week 14 - De ZZP’er: enkele arbeidsrechtelijke perikelen

 

De discussie of iemand in loondienst werkt of niet, wordt niet alleen met de fiscus gevoerd. Ook tussen de partijen zelf vormt de vraag of iemand wel of niet in loondienst werkt regelmatig het onderwerp van discussie. In de praktijk wordt dan ook regelmatig geprocedeerd over de vraag of de verhouding tussen partijen gebaseerd is op een arbeidsovereenkomst of op grond van een overeenkomst van opdracht.

Bij het beantwoorden van deze vraag gaat om een totaaloordeel van de gezamenlijke omstandigheden. Daarbij moet niet alleen gelet worden op datgene dat partijen (aanvankelijk) bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, maar ook op de wijze waarop zij in de dagelijkse praktijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en daarmee inhoud hebben gegeven aan de afspraken die zij met elkaar gemaakt hebben.

Daarbij moet onder andere worden gekeken naar:

  • de wijze van beloning;

  • de wijze van betaling (door wie aan wie);

  • de mate van ondernemingsrisico;

  • de mate van investeringen (wie levert de grondstoffen en de hulpmiddelen);

  • het type werkzaamheden;

  • de vraag wie zorg draagt voor de sociale zekerheid;

  • de duurzaamheid van de arbeidsprestatie;

  • de strekking van de instructiebevoegdheid;

  • de mate van zelfstandigheid en de maatschappelijke positie van de opdrachtnemer.

Onlangs concludeerde de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland dat een koeriersbedrijf bewust en op eigen initiatief had gekozen voor het zelfstandig ondernemerschap. Volgens de kantonrechter was er in die zaak géén sprake van een arbeidsovereenkomst met PostNL. Het feit dat PostNL gedetailleerde instructies gaf ten aanzien van de uitvoering van het werk en op de naleving daarvan toezag (hetgeen op zichzelf alle kenmerken heeft van een voor de arbeidsovereenkomst typerende gezagsverhouding!) weegt in deze zaak niet op tegen de hierboven genoemde omstandigheden. Hetzelfde geldt voor het gegeven dat het Koeriersbedrijf alleen voor PostNL reed waardoor een economische afhankelijkheid ontstond. Ook dit maakte volgens de kantonrechter niet dat er in deze zaak sprake was van een arbeidsovereenkomst. De andere omstandigheden in deze zaak, die pleitten voor het aannemen van een overeenkomst van opdracht, wogen namelijk zwaarder.

Maar ook andere vraagstukken doen zich voor. Denk bijvoorbeeld aan de vraag of u als opdrachtgever aansprakelijk bent voor de schade die een ZZP’er lijdt als gevolg van een (bedrijfs)ongeval.

Bij het beantwoorden van deze vraag is het volgende van belang. In de wet is vastgelegd dat ook degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij géén arbeidsovereenkomst heeft, (mede) aansprakelijk is voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Deze aansprakelijkheid geldt voor het geval de inlener tekortschiet in het treffen van veiligheidsmaatregelen, en degene die de arbeid verricht daardoor schade lijdt. Op deze manier wordt bescherming geboden aan ZZP’ers die zich, wat betreft de door de “werkgever” in acht te nemen zorgverplichtingen, in een met een werknemer vergelijkbare positie bevinden. Daarvan is sprake wanneer de ZZP’er voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk is van degene voor wie hij die werkzaamheden verricht. Of dit het geval is, zal aan de hand van de omstandigheden van het geval bepaald moeten worden. Daarbij speelt dan bijvoorbeeld een rol:

  • de feitelijke verhouding tussen betrokkenen;

  • de aard van de verrichte werkzaamheden;

  • de mate waarin de “werkgever” invloed heeft op de werkomstandigheden en de veiligheidsrisico’s van de ZZP’er.

Wel is vereist dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden ‘in de uitoefening van het beroep of bedrijf’ van degene in wiens opdracht de arbeid is verricht (de inlener). Let wel, de reikwijdte van de aansprakelijkheid is niet beperkt tot werkzaamheden die tot de kern van de beroeps- of bedrijfsuitoefening van de desbetreffende opdrachtgever kunnen worden gerekend of normaal gesproken in het verlengde daarvan liggen. Ook andere werkzaamheden kunnen daar namelijk onder vallen. Bepalend is of de verrichte werkzaamheden, gelet op de wijze waarop de desbetreffende opdrachtgever aan zijn beroep of bedrijf invulling geeft, feitelijk tot zijn beroeps- of bedrijfsuitoefening behoren.

De rechter overwoog dat de inlenende werkgever in deze zaak inderdaad aansprakelijk was voor de schade van de ZZP’er. Weliswaar had de inlener zelf geen directe zeggenschap over de arbeidsplaats, maar de inlener is op grond van de wet gehouden om in te staan voor een veilige arbeidsplaats. Zodoende concludeert de kantonrechter dat de inlener op grond van artikel 7:658 BW jegens de ZZP’er aansprakelijk is voor de gevolgen van het bedrijfsongeval.

Maar wees niet bang, als opdrachtgever bent u niet zomaar aansprakelijk voor schade van de ZZP’er. Aansprakelijkheid wordt alleen aangenomen als de ZZP’er bij de uitvoering van zijn werkzaamheden schade lijdt en u niet aan uw zorgplicht heeft voldaan. Het is daarom belangrijk dat u alle maatregelen neemt die nodig zijn om schade van de ZZP’er tijdens het werk te voorkomen. Op die manier kunt u zelf aansprakelijkheid voorkomen.

Daarnaast bent u natuurlijk ook niet aansprakelijk als u kunt aantonen dat de schade het gevolg is van opzet op bewuste roekeloosheid van de ZZP’er zelf.

Kortom, u kunt aansprakelijkheid voor een ZZP’er voorkomen door vooraf goed na te denken over de risico’s binnen (en buiten) uw bedrijf en de mogelijke maatregelen die u kunt treffen.

Heeft u hier vragen over? Neem dan gerust contact op met een van onze arbeidsrechtadvocaten. Wij zijn u graag van dienst.

De betreffende uitspraken vindt u hier terug:

Uitspraak Rechtbank Noord-Holland

Uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant