Een lening aangegaan als privépersoon of namens de vennootschap?

 

Door A is een leningsovereenkomst gesloten met G. Hij leent van G een bedrag van € 60.000,- . Het is de vraag in deze zaak of de lening is aangegaan door A namens de (nog op te richten) vennootschap, of in eigen persoon.

 

Volgens de rechtbank moet de vordering door A als privépersoon voldaan worden. Het is onvoldoende vast komen te staan dat A de lening is aangegaan als vertegenwoordiger van de vennootschap en niet als persoon in privé.

 

A is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan. In hoger beroep wordt de vraag beantwoord of G de overeenkomst van geldlening heeft gesloten met A in eigen naam, dan wel met A als vertegenwoordiger van de vennootschap. Daarbij moet gekeken worden wat partijen tegenover elkaar hebben verklaard en wat partijen uit die verklaringen hebben afgeleid en mochten afleiden (HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521 (Kribbebijter)).

 

Door A is ook een schuldbekentenis ondertekend. Het hof stelt voorop dat A in de schuldbekentenis uitdrukkelijk als privépersoon is opgenomen. In de schuldbekentenis wordt op geen enkele wijze verwezen naar de vennootschap. Ook uit de ondertekening van de schuldbekentenis blijkt niet dat A heeft getekend namens de vennootschap.

 

Volgens A kan uit de leningsovereenkomst worden opgemaakt dat de lening is aangegaan in naam van de vennootschap, omdat daarin is opgenomen dat de lening alleen gebruikt mag worden voor de vennootschap. Volgens het hof kan hier niet uit afgeleid worden dat de lening is aangegaan in naam van de vennootschap.

 

Verder is de vennootschap opgericht door twee compagnons die hebben afgesproken dat zij beide € 60.000,- zouden inbrengen. Het hof leidt daaruit af dat A het geld privé heeft geleend om dit in te kunnen brengen in de vennootschap.

 

Volgens A is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat hij de lening persoonlijk moet dragen. De enkele omstandigheid dat A geen financiële middelen had om de geldlening na te komen en dat G hiervan op de hoogte was, is onvoldoende om aan te nemen dat de lening niet redelijk zou zijn. Ook het beroep op dwaling wordt door het hof afgewezen.

 

Door het hof wordt dus, net als door de rechtbank, geoordeeld dat A de lening in privé is aangegaan en niet als vertegenwoordiger van de vennootschap.

 

Indien u een lening wenst aan te gaan voor uw vennootschap dan is het dus van belang dat u dit duidelijk kenbaar maakt aan de wederpartij en dat dit ook duidelijk wordt opgenomen in de overeenkomst tot geldlening of in de schuldbekentenis.

 

Heeft u hier vragen over? Of wilt u advies? Neem dan gerust contact op met een van onze advocaten. Wij staan u graag met raad en daad ter zijde!