Heeft de franchisegever een algemene verplichting tot het geven van een omzetprognose?

 

In de zaak waar het hier om gaat, heeft een franchisenemer een franchiseovereenkomst gesloten met Albert Heijn. Door Albert Heijn is in het kader daarvan een omzetprognose verstrekt aan de franchisenemer. In werkelijkheid bleek de omzet van de franchisenemer echter ver achter te blijven bij de omzet die in de prognose was opgenomen. De franchisenemer in deze vordert vernietiging van de franchiseovereenkomst. Hij stelt dat de prognose die door Albert Heijn is afgegeven ondeugdelijk is en dat hij onvoldoende is voorgelicht over de te verwachten omzet.

 

Door de rechtbank werd de vordering  van de franchisenemer toegewezen. Volgens de rechtbank was de omzetprognose inderdaad ondeugdelijk en heeft de franchisenemer bij het aangaan van de overeenkomst gedwaald. Het hof was het daar echter niet mee eens en heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en daarmee de vorderingen van de franchisenemer afgewezen. Volgens het hof was Albert Heijn niet verplicht om in de precontractuele fase omzetprognoses aan de franchisenemer te verschaffen. Daarbij was de omzetprognose niet ondeugdelijk en op zorgvuldige wijze tot stand gebracht.

 

Tegen het oordeel van het hof is door de franchisenemer cassatie ingesteld. Volgens hem heeft het hof miskend dat op de franchisegever op grond van de ‘Europese Erecode inzake Franchising’ de verbintenis of rechtsplicht kan rusten om in de precontractuele fase alle informatie en overige gegevens te verstrekken die de franchisenemer nodig heeft om tot het sluiten van de franchiseovereenkomst te kunnen beslissen. De Hoge raad overweegt onder verwijzing naar haar arrest van 25 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7329, dat uit de redelijkheid en billijkheid geen algemene regel voortvloeit dat op de franchisegever een verbintenis rust om franchisenemer in te lichten over de te verwachten omzet of over de winstverwachting. Bijzondere omstandigheden van het geval kunnen zo een verplichting wel met zich meebrengen. Uit de enkele omstandigheid dat de franchisegever bij de onderhandelingen voorafgaand aan het sluiten van de franchiseovereenkomst een rapport over de te verwachten omzet en de te verwachten winst heeft verschaft, kan niet worden afgeleid dat op de franchisegever zo een verbintenis/verplichting rustte.

 

De Hoge Raad overweegt vervolgens dat een franchisegever onder omstandigheden wel onrechtmatig kan handelen wanneer hij zo een rapport verschaft. Wanneer de franchisegever het opmaken van het rapport uitbesteedt aan een derde, dan mag hij vertrouwen op de juistheid van het rapport. Wanneer de franchisegever echter weet dat het rapport ernstige fouten bevat en hij stelt de wederpartij hier niet van op de hoogte, dan kan sprake zijn van onzorgvuldig handelen. Ook kan er sprake zijn van onzorgvuldig handelen wanneer de franchisegever zelf het onderzoek uitvoert en de resultaten aan de wederpartij verstrekt of wanneer hij dit laat doen door een persoon waarvoor hij aansprakelijk is op grond van de artikelen 6:170-6:172 BW. De franchisegever weet dan niet dat het rapport fouten bevat, maar zijn onzorgvuldigheid (of die van degene waarvoor hij aansprakelijk is) heeft geleid tot ernstige fouten in het rapport (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:311, NJ 2018./12 (Street-One)). Kortom, een franchisegever is eerder aansprakelijk wanneer hij de omzetprognose zelf opstelt dan wanneer hij dit aan een externe partij uitbesteedt.

 

Verder overweegt de Hoge Raad dat ‘Europese Erecode inzake Franchising’ niet zonder meer worden aangemerkt als ‘in Nederland levende rechtsovertuigingen’ zoals bedoeld in art. 3:12 BW. Daarom bestaat ook op basis daarvan geen algemene verplichting voor de franchisegever om in de precontractuele fase alle beschikbare informatie aan de franchisenemer te verstrekken. De klacht van de franchisenemer in deze wordt dan ook ongegrond verklaard.

 

Verder had de franchisenemer ook nog enkele klachten tegen de uitspraak van het hof dat het rapport niet ondeugdelijk was. Ook die klachten worden door het hof ongegrond verklaard, omdat het oordeel van het hof op dit punt voldoende gemotiveerd is en niet onbegrijpelijk is.

 

Op de franchisgever, Albert Heijn in deze, rust dus geen algemene verplichting tot het geven van een omzetprognose, de franchisenemer dient hier gedurende de onderhandelingen dus altijd op bedacht te zijn.

 

Heeft u vragen of advies nodig? Neem dan gerust contact op met een van onze advocaten. Wij staan u graag met raad en daad ter zijde!