Heeft de werkgever zijn Duitse werkneemster terecht een loonsanctie opgelegd wegens niet op het werk verschijnen?

 

Werkneemster is sinds 4 januari 2007 werkzaam als tandartsassistente in Hardenberg. Zij woont in Duitsland, op 30 km daarvandaan. Op 25 maart 2012 heeft zij een ongeluk gehad met de fiets, waarbij zij haar linker pols heeft gebroken. Zij is na het ongeluk, in mei 2012, nog drie keer vier uur op het werk geweest.  Vanaf mei 2012 heeft de werkneemster geen loon meer ontvangen van de werkgever.

 

Eind oktober/begin november heeft de werkgever de werkneemster ontslagen. De werkneemster heeft hier tegen geprotesteerd. Na dit protest en  na advies van de bedrijfsarts over de re-integratie van werkneemster heeft de werkgever werkneemster opgeroepen om op het werk te verschijnen. Werkneemster is niet verschenen, omdat zij van mening is dat eerst het achterstallig loon betaald moet worden. Daarna heeft de werkgever werkneemster nogmaals opgeroepen. De werkgever heeft daarbij aangekondigd dat er een loonsanctie zal volgen indien werkneemster niet verschijnt. Vervolgens is werkneemster weer niet op het werk verschenen. De werkgever heeft daarop de loonbetaling stopgezet.

 

Werkneemster vordert daarop betaling van het achterstallig loon. Door de kantonrechter is de loonvordering toegewezen tot en met november 2012, maar afgewezen vanaf december 2012, omdat werkneemster niet meer op het werk verschenen is.

 

De werkneemster is het hier niet mee eens en gaat tegen de beslissing in beroep. De werkneemster had zich op grond van de artikelen 7:658a en 7:660a BW bij de werkgever moeten melden om te bespreken welke werkzaamheden voor haar passend zouden zijn, zo nodig in overleg met de bedrijfsarts. Door de werkneemster wordt gesteld dat enkel de opinie van haar eigen arts beslissend is. Dat is niet het geval, ook de opinie van de bedrijfsarts is van belang. Daarbij komt dat door de huisarts van mevrouw al op 4 oktober 2012 een re-integratieplan is opgesteld waarin stond dat zij vanaf 8 oktober 2012 vier uur per dag kon werken. Indien werkneemster het hier niet mee eens was, had zij een second opinion kunnen vragen bij het UWV of bij een Duitse arts.

 

Verder is volgens de werkneemster het opleggen van een loonsanctie in strijd met Europees recht, omdat die hier niet in voorkomt. Het gaat hier echter om toepassing van Nederlands recht op een arbeidsovereenkomst met grensoverschrijdende  aspecten waarbij Nederlandse regelgeving niet in strijd mag komen met Europese. Door werkneemster is geen bepaling naar voren gebracht waaruit blijkt dat het opleggen van een loonsanctie in strijd is met Europees recht.   

 

Volgens het hof rechtvaardigt het feit dat werkneemster geen loon betaald heeft gekregen, niet dat zij niet op het werk is verschenen. De verplichting om op het werk te verschijnen, dient ter bevordering van de re-integratie van werkneemster en staat los van het recht op achterstallig loon. De werkneemster mag haar plicht om op het werk te verschijnen pas opschorten vanaf het moment dat zij verschijnt en daarna niet meer betaald krijgt.

 

Heeft u vragen over het opleggen van een loonsanctie, re-integratie of een andere arbeidsrechtelijke kwestie? Neem dan gerust contact op met een van onze arbeidsrechtadvocaten. Wij staan u graag met raad en daad ter zijde!