Kan een vennootschap onder firma (vof) telefonisch opgezegd worden?

 

‘Ik stop ermee!’, ‘Ja, dat wil ik’ of ‘Verkocht!’: enkele uitspraken waarmee de “zender” waarschijnlijk iets wil bereiken. Anders gezegd: een verklaring waarmee een rechtsgevolg beoogd is, oftewel een rechtshandeling. Of de verklaring ook daadwerkelijk gericht is op een rechtsgevolg en welk rechtsgevolg dat dan is, moet altijd worden beslist aan de hand van de omstandigheden van het geval. De Hoge Raad heeft onlangs de vraag beantwoord of een telefonische mededeling van een vennoot gezien kan worden als een opzegging die gericht is op ontbinding van de vennootschap onder firma (vof).

 

Wat waren de feiten?

Op 7 juli 2011 zijn partijen een vof met elkaar aangegaan. In de vennootschapsakte werden onder andere afspraken gemaakt over de mogelijke beëindiging van de samenwerking. Verder kwamen de vennoten overeen dat de vof zou eindigen drie maanden nadat één van de vennoten de ander daarover schriftelijk of bij deurwaardersexploot had bericht. Daarbij is de vennoot die binnen vijf jaar na het starten van de vennootschap opzegt, aan de ander een boete verschuldigd van € 75.000,-.

 

De samenwerking blijkt helaas verre van succesvol. Vrijwel onmiddellijk liggen de vennoten al met elkaar overhoop. De verwerende vennoot in de zaak meldt zich ziek. Het komt zelfs zover dat de verwerende vennoot en zijn partner door de eisende vennoot mishandeld worden. De verwerende vennoot laat op 9 november 2011 zijn advocaat contact opnemen met de eisende vennoot. Op 10 november 2011 bespreekt de advocaat het gesprek met de verwerende vennoot. De advocaat deelt hem mede dat de eisende vennoot de samenwerking binnen de vof met ‘onmiddellijke ingang’ heeft opgezegd.

 

In kort geding vraagt de eisende vennoot verlof voor het leggen van conservatoir beslag op de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de verwerende vennoot. In het kort geding stelt de verwerende vennoot echter dat de vof nog niet ontbonden is, zodat de eisende vennoot dus ook geen geldvordering op hem heeft.

 

De verwerende vennoot start vervolgens een bodemprocedure, waarin hij juist wél het standpunt inneemt dat de vof per 9 november 2011 is ontbonden. In die procedure vordert hij verdeling van de vof en veroordeling van de eiser tot betaling van de boete van € 75.000,- die partijen overeengekomen zijn. De eisende vennoot stelt zich op het standpunt dat van opzegging geen sprake kan zijn.

 

Het hof

Volgens het hof is de vof ontbonden. Het hof heeft dan ook voor recht verklaard dat de vof per 9 november 2011 is ontbonden en heeft de vennoot die heeft opgezegd, veroordeeld tot betaling van de boete van € 75.000,- aan de andere vennoot. Dat de advocaat van de (in eerste instantie) verwerende vennoot in kort geding het standpunt innam dat de vof nog niet ontbonden was, acht het hof niet relevant, omdat het een andere procedure en bovendien een kort geding betrof. Volgens het hof kan dan ook geen sprake zijn van een gerechtelijke erkentenis of gezag van gewijsde. Dat in de vennootschapsakte is opgenomen dat opzegging schriftelijk of door middel van een deurwaardersexploot geschiedt, staat er volgens het hof niet aan in de weg dat ook op andere, niet voorgeschreven wijze kan worden opgezegd. Als de woorden maar voldoende duidelijk zijn en deze de wederpartij ook hebben bereikt. Dat was volgens het hof het geval.

 

De Hoge Raad

Tegen het besluit van het hof gaat de eisende vennoot (die had opgezegd) in cassatie. Hij vindt dat het hof in het oordeel onvoldoende rekening heeft gehouden met alle omstandigheden van het geval. Ook als geen sprake was van een gerechtelijke erkentenis, had het hof bij de uitleg van de mededeling van de eiser rekening moeten houden met het feit dat de andere vennoot in kort geding nog het standpunt innam dat er geen sprake was van opzegging. Daarbij had het hof ook in acht moeten nemen dat eiser zich op dat moment in een emotionele toestand bevond en dat een opzegging vanwege de contractuele boete, grote gevolgen voor hem zou hebben. Tenslotte is eiser ook van mening dat het hof te makkelijk is omgesprongen met de bepaling uit de vennootschapsakte waarin is opgenomen dat opzegging schriftelijk of bij deurwaardersexploot dient plaats te vinden.

 

De Hoge Raad sluit zich aan bij dit betoog. Het hof heeft de uitlatingen van de advocaat van de verweerder, de emotionele toestand van eiser en de grote gevolgen van de opzegging voor eiser, ten onrechte niet in zijn overwegingen betrokken. Over de bepaling in de vennootschapsakte zegt de Hoge Raad het volgende:

 

Dat partijen in artikel 10 lid 1 van de vennootschapsakte zijn overeengekomen dat een vennoot die de vennootschap wil doen eindigen, dat schriftelijk of bij deurwaardersexploot aan de andere vennoot kenbaar moet maken, is een omstandigheid die van belang kan zijn bij de beantwoording van de vraag of de telefonische uitlating van [eiser 2] redelijkerwijs door [verweerder] mocht worden opgevat als opzegging.”

 

De bepaling is dus ook een omstandigheid die bij de uitleg van de uitlating van de eiser had moeten worden meegenomen, zelfs als die bepaling niet dwingend van aard is en mondelinge opzegging dus wel mogelijk was.

 

Conclusie

Het is niet nieuw dat rechtshandelingen uitgelegd moeten worden aan de hand van de omstandigheden van het geval. De zojuist besproken uitspraak benadrukt echter wel dat óók omstandigheden die niet rechtstreeks juridische gevolgen hebben, een belangrijke rol kunnen spelen in de afweging van de omstandigheden van het geval. De vennootschapsakte had in deze niet tot gevolg dat de opzegging enkel schriftelijk kon plaatsvinden, maar dat deze bepaling tussen partijen is vastgelegd, is wel een omstandigheid die meegenomen dient te worden bij de beoordeling van de telefonische mededeling. Dat geldt ook voor het standpunt dat de advocaat innam in kort geding. Juridisch speelde dat standpunt geen rol, maar het diende wel meegenomen te worden in de uitleg van de verklaring van de eiser. De Hoge Raad heeft het arrest van het Hof vernietigd en terugverwezen, zodat het hof hier opnieuw naar moet gaan kijken. Het hof zal dus opnieuw beoordelen of de telefonische mededeling van eiser, met inachtneming van de hiervoor besproken omstandigheden, wel of niet gezien kan worden als een opzegging van de vof.

 

Vragen over een soortgelijk probleem of andere zaken rondom de afwikkeling van een vof? Wij weten de weg in het ondernemingsrecht. Neemt u gerust contact op met één van onze specialisten!