Mag een werknemer de auto van de zaak onder zich houden wanneer hij een vordering op zijn werkgever heeft?

 

Het komt regelmatig voor dat een werknemer bij het (naderende) einde van de arbeidsovereenkomst van mening is dat hij nog een vordering heeft op zijn werkgever, bijvoorbeeld voor het uitbetalen van vakantiedagen. Wanneer de werknemer beschikt over een auto van de zaak, besluit de werknemer soms om deze niet in te leveren totdat de vordering volledig is betaald door de werkgever. Mag de werknemer dat zomaar doen?

 

De vraag is dan of de werknemer een retentierecht heeft. Een ‘retentierecht’ houdt in dat een schuldeiser een zaak van de schuldenaar onder zich mag houden totdat de schuldenaar betaald heeft. Een simpel voorbeeld is de garagehouder die een auto repareert, maar niet betaald krijgt en daarom de auto onder zich houdt totdat er door de klant betaald wordt. In het geval dat het gaat om een werknemer die een auto van de zaak onder zich houdt, moet een onderscheid gemaakt worden tussen enerzijds de situatie dat het een leaseauto betreft die in eigendom is van een leasemaatschappij, en anderzijds de situatie dat het een auto betreft die eigendom is van de werkgever zelf.  

 

Scenario 1: de auto is in eigendom van de werkgever

Wanneer de auto eigendom is van de werkgever, dan heeft de werknemer het recht om de auto onder zich te houden indien er voldoende samenhang is tussen de vordering op de werkgever en afgifte van de auto.

De werknemer dient dus in de eerste plaats een vordering op de werkgever te hebben. De werknemer kan niet alleen stellen dat hij een vordering heeft op zijn werkgever. De vordering moet daadwerkelijk aannemelijk zijn.

Verder dient er - zoals hiervoor gezegd - sprake te zijn van voldoende samenhang: hiervan is sprake wanneer de verbintenissen voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding. In dit geval vloeien de vordering van de werknemer op de werkgever en de terbeschikkingstelling van de auto, en daarmee de verplichting tot inlevering, beiden voort uit de arbeidsovereenkomst. Er zal in dat geval veelal sprake zijn van voldoende samenhang.

 

Verder moet er ook sprake van een bepaalde mate van proportionaliteit tussen enerzijds de vordering van de werknemer, en anderzijds het onder zich houden van de auto. Zo zal het uitoefenen van het retentierecht disproportioneel zijn wanneer de werknemer bijvoorbeeld nog recht heeft op uitbetaling van slechts 5 vakantie-uren en hij een auto onder zich houdt met een waarde van € 20.000,-.

 

Het uitoefenen van het retentierecht brengt overigens een risico met zich mee voor de werknemer. Als achteraf blijkt dat hij geen vordering heeft op de werkgever of dat de uitoefening van het retentierecht disproportioneel is, dan heeft hij ten onrechte een beroep gedaan op het retentierecht. In dat geval is de werknemer toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting tot afgifte van de auto, hetgeen hem schadeplichtig maakt jegens de werkgever.  

 

Scenario 2: de auto wordt geleased bij een leasemaatschappij

Maar let op: als de werkgever de auto leaset van een leasemaatschappij dan komt de werknemer in principe géén retentierecht toe!  

 

Dit kan overigens onder bepaalde omstandigheden anders zijn. Zo oordeelde de rechtbank Noord-Holland bijvoorbeeld in 2016 dat werknemers zich wel terecht op het retentierecht hadden beroepen ten opzichte van de leasemaatschappij. Deze uitspraak heeft overigens kritiek gekregen, omdat het oordeel van de rechtbank tot de onwenselijke situatie leidt dat loonvorderingen van werknemers op werkgevers voor risico van een leasemaatschappij komen.

 

Kortom, van geval tot geval zal verschillen of een werknemer de auto van de zaak terecht onder zich houdt. Een werknemer doet er in elk geval verstandig aan om niet al te lichtvaardig te besluiten om de auto van de zaak onder zich te houden, omdat hij het risico loopt schadeplichtig te worden jegens zijn werkgever.

 

Heeft u vragen hierover of wilt u advies inwinnen? Neem dan vrijblijvend contact op met SPEE advocaten & mediation. Onze arbeidsrechtadvocaten staan u graag met raad en daad ter zijde!

 

De uitspraak van de rechtbank Noord-Holland kunt u hier lezen: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2016:9783