Op werkgever rust géén spreekplicht ten aanzien van de voorgenomen reorganisatie

 

In een zaak waarover het gerechtshof Den Haag moest oordelen, speelde het volgende.

 

De werknemer is al sinds 1984 in dienst.

 

Op 1 augustus 2011 heeft werknemer een verzoek tot ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter. Dit ontbindingsverzoek is bij beschikking van 26 oktober 2011 door de kantonrechter toegewezen, doch zonder beëindigingsvergoeding. Om die reden heeft werknemer het ontbindingsverzoek ingetrokken, als gevolg waarvan de arbeidsovereenkomst in stand bleef.

 

Vervolgens zijn partijen in onderhandeling getreden over een beëindiging van het dienstverband. In dat kader wordt omstreeks 7 februari 2012 een beëindigingsovereenkomst gesloten, waarin o.a. is vastgelegd dat de arbeidsovereenkomst per 1 april 2012 eindigt zónder beëindigingsvergoeding, maar wel met vrijstelling van de verplichting tot het verrichten van werkzaamheden vanaf 1 februari 2012 tot aan 1 april 2012.

 

Daarna, op 2 april 2012, dient werkgever bij de Ondernemingsraad een adviesaanvraag in wegens de voorgenomen beëindiging van haar bedrijfsactiviteiten, waarbij een beëindigingsregeling van toepassing werd verklaard, onder meer inhoudende een beëindigingsvergoeding op basis van de oude kantonrechtersformule met correctiefactor 1. De Ondernemingsraad heeft hierop positief geadviseerd.

 

Gelet hierop is de werknemer het er niet mee eens dat hem geen ontslagvergoeding is aangeboden. Daarom start hij een procedure met als doel de werkgever te laten veroordelen tot naleving van het Sociaal Plan en een beëindigingsvergoeding af te dwingen van bijna € 130.000,-. Werknemer onderbouwt zijn vordering door te stellen dat sprake is van dwaling/bedrog/misbruik van omstandigheden doordat werkgever ten tijde van het aangaan van de beëindigingsovereenkomst werknemer niet in kennis heeft gesteld van haar reorganisatieplannen. Indien werkgever dit wel zou hebben gedaan, dan was werknemer niet onder dezelfde voorwaarden met beëindiging van zijn dienstverband akkoord gegaan.

 

De kantonrechter stelt de werknemer in het gelijk, en kent de werknemer een ontslagvergoeding toe van bijna € 130.000,-.

 

Werkgever stelt vervolgens tegen dit vonnis hoger beroep in bij het gerechtshof Den Haag.

 

Het gerechtshof stelt het volgende voorop: het is een feit van algemene bekendheid dat reorganisaties tot veel onrust onder werknemers leiden. Van een werkgever kan daarom in principe niet worden verlangd dat hij – in een (te) vroeg stadium – werknemers informeert over een voorgenomen reorganisatie, waarover nog geen advies aan de Ondernemingsraad is gevraagd en nog onzekerheid bestaat over de precieze invulling ervan.

 

Vast staat dat de werknemer in kwestie de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend op 7 februari 2012; en dat werkgever pas op 2 april 2012 advies aan de Ondernemingsraad heeft gevraagd in verband met de voorgenomen reorganisatie. Er was al langere tijd sprake van een conflictueuze verhouding tussen werkgever en werknemer. Niet gesteld noch gebleken is dat er al in een eerder stadium (vóór 2 april 2012) door werkgever ruchtbaarheid is gegeven aan de (voorgenomen) reorganisatieplannen onder haar personeel. Zolang de reorganisatieplannen nog niet concreet waren uitgewerkt en de Ondernemingsraad nog niet om advies was gevraagd, kon van werkgever redelijkerwijs niet worden verlangd dat zij de werknemer hierover informeerde. Het gerechtshof oordeelt daarom dat in de periode voorafgaand aan de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst géén spreekplicht op de werkgever rustte.

 

Daarom vernietigt het gerechtshof het vonnis van de kantonrechter en wordt de werknemer veroordeeld tot terugbetaling van de ontslagvergoeding, die werkgever uit hoofde van het eerdere vonnis van de kantonrechter aan de werknemer heeft moeten betalen.

 

Heeft u vragen? Of wenst u advies? Neem dan gerust contact op met een van onze arbeidsrechtadvocaten. Wij staan u graag te woord!

 

De volledige uitspraak kunt u hier lezen:

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:3597