Uitleg versus kwalificatie van overeenkomsten: HR wijst belangrijk arrest voor de rechtspraktijk

 

In het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 komen een tweetal vragen aan bod die voor het (bijzondere) overeenkomstenrecht zeer relevant zijn, namelijk: (1) wie is de contractuele wederpartij bij een overeenkomst? en (2) hoe dient de uitleg en kwalificatie van overeenkomsten plaats te vinden?

 

Feiten: pacht of inscharing?

De kwestie ging over een overeenkomst tussen enerzijds een bestuurder/grootaandeelhouder van een NV die een paardenfokkerij exploiteert, en anderzijds een grondeigenaar. Het is de vraag of de overeenkomst als een pachtovereenkomst is te betitelen; dit is een overeenkomst die in de wet is geregeld en vrij strenge bepalingen kent.

 

Wat was er aan de hand? Partijen hebben in 2008 – mondeling – afgesproken dat de grondeigenaar enkele percelen als weiland ter beschikking stelde, tegen een jaarlijkse vergoeding. De NV betaalde steeds de vergoeding aan de grondeigenaar.

 

Vervolgens is er in maart 2015 een “overeenkomst van inscharing” getekend, opgesteld door de grondeigenaar. Dit is overigens geen wettelijke term, in tegenstelling tot pacht. Het komt erop neer dat de uitschaarder (eigenaar) zijn dieren onderbrengt bij een andere boer (inschaarder), die de dieren tegen vergoeding verzorgt.

 

Wederpartij bij de overeenkomst van inscharing was de bestuurder zelf, dus niet de NV. In dezelfde maand heeft de grondeigenaar de bestuurder van de NV gesommeerd om de paarden van het weiland te ontruimen, maar de NV weigerde dit: volgens de NV was er tussen haar en de grondeigenaar een overeenkomst van pacht gesloten, en wel voor onbepaalde tijd.

 

De grondeigenaar vorderde vervolgens een verklaring voor recht dat tussen hem en de bestuurder een overeenkomst van inscharing (en dus geen overeenkomst van pacht) heeft bestaan, die op 31 maart 2015 zou zijn geëindigd.

 

Oordeel in eerste aanleg: geen pacht

De kantonrechter in eerste aanleg gaf de grondeigenaar gelijk: volgens de kantonrechter was de bestuurder van de NV, en dus niet de NV zelf, de contractuele wederpartij van de grondeigenaar. Er was volgens de kantonrechter geen sprake van pacht, omdat de bestuurder zich niet met de bedrijfsmatige beoefening van landbouw bezighield (en de NV wel).

 

Oordeel in hoger beroep: wederom geen pacht

In hoger beroep kwam het gerechtshof tot dezelfde conclusies. Voor de beantwoording van de vraag of de overeenkomst tussen partijen een pachtovereenkomst is of niet (de “kwalificatie” van de overeenkomst), gebruikte het hof de zogenaamde Haviltex-maatstaf, genoemd naar een bekend arrest. Dit wil zeggen dat het hof gekeken heeft naar de bedoeling van partijen bij het sluiten van de overeenkomst. Het hof heeft zo geredeneerd, omdat partijen in eerste instantie hun afspraken niet op papier hebben gezet, terwijl de wet in artikel 7:317 BW voorschrijft dat een pachtovereenkomst schriftelijk moet worden aangegaan. Daarom twijfelt het hof eraan of partijen de bedoeling hebben gehad om een pachtovereenkomst aan te gaan.

 

Het verlossende woord van de Hoge Raad

De zaak komt uiteindelijk terecht bij de Hoge Raad. In cassatie gaat het in de eerste plaats gaat om de vraag wie nu eigenlijk de contractuele wederpartij was van de grondeigenaar: de bestuurder of de vennootschap (omdat de bestuurder de vennootschap vertegenwoordigde).

 

Volgens de bestuurder had het gerechtshof in hoger beroep – ten onrechte – alleen onderzocht wat partijen daarover ten tijde van het sluiten van de overeenkomst moesten begrijpen. Volgens de Hoge Raad is het echter niet uitgesloten dat er op enig moment na het sluiten van de overeenkomst een ander dan één van de oorspronkelijke contractspartijen in plaats van die oorspronkelijke contractspartij dient te worden aangemerkt als contractspartij. Het antwoord op de vraag of daarvan sprake is, “hangt af van hetgeen de betrokken partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze afleiden.”

 

In dit specifieke geval heeft de bestuurder geen baat bij deze overweging, aangezien het hof volgens de Hoge Raad in dit geval niet hoefde te onderzoeken of – ervan uit gaande dat in eerste instantie de bestuurder partij was bij de schriftelijke overeenkomst – de NV alsnog partij is geworden. Dat standpunt heeft de bestuurder in de feitelijke instanties (kantonrechter en Hof) namelijk niet ingenomen.

 

 

Wél heeft de bestuurder aan de orde gesteld dat hij het weiland bedrijfsmatig door zijn NV mocht laten gebruiken. Volgens de Hoge Raad is het daarbij niet doorslaggevend of de grondeigenaar daarbij (uitdrukkelijk) heeft ingestemd. Aan de hand van wederom de Haviltex-maatstaf moet worden beoordeeld of partijen bedrijfsmatig gebruik door de NV hebben afgesproken. 

 

Dan komen we op de vraag of de overeenkomst tussen partijen een pachtovereenkomst was, of niet. Volgens het hof was dat niet zo, waarbij het hof het beslissend heeft geacht of het de bedoeling van partijen was om een pachtovereenkomst te sluiten (Haviltex).

 

Volgens de Hoge Raad is het zo dat als de inhoud van de overeenkomst voldoet aan de wettelijke omschrijving van pacht (artikel 7:311 BW), de overeenkomst als een pachtovereenkomst moet worden aangemerkt. Het is dan NIET van belang of partijen daadwerkelijk de bedoeling hadden om de overeenkomst onder de regeling van pacht te laten vallen. Het gaat erom of de overeengekomen rechten en plichten voldoen aan de wettelijke omschrijving van de pachtovereenkomst.

 

Kortom: de vraag naar de kwalificatie van een overeenkomst is niet hetzelfde als de vraag welke rechten en plichten partijen hebben afgesproken (uitleg van de overeenkomst). De inhoud van de overeenkomst moet worden bekeken aan de hand van de Haviltex-maatstaf (de bedoeling van partijen), maar de kwalificatie dus niet.

 

Samenvattend oordeelt de Hoge Raad: “Nadat de rechter met behulp van die maatstaf de inhoud van de overeenkomst – dat wil zeggen de wederzijdse rechten en verplichtingen – heeft vastgesteld (uitleg), kan hij beoordelen of die overeenkomst de kenmerken heeft van een pachtovereenkomst (kwalificatie).”

 

In deze specifieke kwestie heeft het Hof dit niet gedaan. Om die reden vernietigt de Hoge Raad het arrest en wordt de zaak verwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden. De gehele uitspraak leest u hier: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2019:2034

 

Conclusie

Deze uitspraak is – ook los van pacht en andere landbouwaangelegenheden – van groot belang voor de juridische praktijk. Als er twijfels zijn over de kwalificatie van een overeenkomst, dan moeten kortom twee stappen worden genomen: eerst uitleg (op grond van partijbedoeling) en dan kwalificatie. Het is dan aan de rechter om, in de kwalificatiefase, op basis van de wet te bepalen welke (dwingende) wettelijke regels op de gesloten overeenkomst van toepassing zijn. Daar houdt de vrijheid van partijen dus op.

 

Heeft u ook vragen over de uitleg en/of kwalificatie van overeenkomsten? SPEE advocaten & mediation heeft ruime ervaring in het verbintenissenrecht en schetst graag de kaders voor u.