Vennootschap weigert ontbindingsvergoeding te betalen. Handelen de bestuurders van die vennootschap daardoor onrechtmatig?

 

Werknemer, in dienst sinds 1989 van de vennootschap, valt op enig moment ziek uit. Na een vervelend verlopen re-integratie dient werknemer een ontbindingsverzoek in bij de kantonrechter wegens een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter wijst het verzoek toe en veroordeelt de vennootschap tot betaling van een ontbindingsvergoeding van € 115.000. Volgens de kantonrechter heeft de vennootschap haar re-integratieverplichtingen flink verzaakt. De vennootschap weigert echter de ontbindingsvergoeding te betalen. De werknemer stelt de bestuurders van de vennootschap daarvoor aansprakelijk, omdat hen een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De stelling van werknemer is dat het de bestuurders persoonlijk ernstig te verwijten is dat een onwerkbare situatie ontstond waardoor geen andere oplossing mogelijk was dan het einde van het dienstverband. Daardoor lijdt hij schade die hij heeft gesteld op het bedrag van de ontbindingsvergoeding, omdat hij dat een passend uitgangspunt vindt voor de aansprakelijkheid van de bestuurders. Bedoeld ernstig verwijt blijkt volgens werknemer uit de ontbindingsbeschikking en de vervelend gelopen re-integratie. De rechtbank heeft de vordering afgewezen omdat werknemer niet heeft kunnen onderbouwen waarom de bestuurders een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

 

In hoger beroep stelt het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voorop dat de vennootschap tot 1 oktober 2015 de werkgeefster was van werknemer en dat het dus ook de vennootschap is die aansprakelijk is voor de nakoming van arbeidsrechtelijke verplichtingen en daaruit voortkomende schulden. Het enkele gegeven dat de vennootschap voor het bereiken van haar doel natuurlijke personen moet inschakelen voor het namens haar verrichten van feitelijke handelingen en rechtshandelingen brengt niet zonder meer mee dat die natuurlijke personen naast de vennootschap jegens derden aansprakelijk zijn, wanneer hun handelingen tot nadeel voor die derden hebben geleid. Dat geldt ook wanneer die natuurlijke personen bestuurder van de vennootschap zijn. Dit is anders wanneer die gedragingen te kwalificeren zijn als een onrechtmatige daad jegens een derde (bijvoorbeeld de werknemer). Daarvoor kan werknemer zowel de pleger van de onrechtmatige daad als diens werkgever aansprakelijk stellen, wanneer aan de wettelijke voorwaarden daarvoor is voldaan. Werknemer heeft zijn vordering op de bestuurders van de vennootschap echter niet gegrond op een door henzelf gepleegde onrechtmatige daad, laat staan dat hij daarvoor voldoende heeft aangetoond. Het gerechtshof ziet ook niet zonder meer in dat, als de arbeidsovereenkomst wordt weggedacht, de arbeidsrechtelijke verwijten (zoals het niet-naleven van het deskundigenoordeel) een onrechtmatige daad van de bestuurders opleveren. Verder overweegt het gerechtshof dat het enkele door een bestuurder handelen namens de vennootschap, of het bewerkstelligen of toelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, onvoldoende is voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder. Kortom, ook het gerechtshof wijst de vorderingen van de werknemer af.

 

Heeft u vragen? Of wilt u graag advies? Neem dan vrijblijvend contact op met SPEE advocaten & mediation. Wij staan u graag met raad en daad ter zijde!

 

De volledige uitspraak kunt u hier lezen.