Verschuiving van de eerste WW-dag bij onterecht ontslag op staande voet

 

Op 15 december 2015 is werkneemster door werkgever op staande voet ontslagen. De kantonrechter heeft op 20 juni 2016 bij beschikking geoordeeld dat het door de werkgever gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig was. Daartegen is door de werknemer hoger beroep ingesteld.

 

Het Gerechtshof Den Haag heeft, anders dan de kantonrechter, bij beschikking van 13 december 2016 geoordeeld dat de werkneemster onterecht op staande voet ontslagen is. Werkneemster heeft geen herstel van de arbeidsovereenkomst gevorderd. Daarop is haar een billijke vergoeding van € 34.000,- toegekend. Door het hof is in aanmerking genomen dat de arbeidsovereenkomst op 1 juli 2016 zou zijn geëindigd vanwege een verstoorde arbeidsverhouding.

 

Met inachtneming van de hiervoor genoemde overweging van het hof heeft het UWV bij besluit van 21 december 2016 de eerste WW-dag van werkneemster verlegd van 16 december 2015 naar 1 juli 2016. Daarop heeft het UWV een bedrag van € 16.572,67 teruggevorderd. Werkneemster heeft hier bezwaar tegen gemaakt, maar dit bezwaar is ongegrond verklaard. In de beroepsprocedure is door haar betoogd dat de eerste WW-dag ten onrechte verschoven is van 16 december 2015 naar 1 juli 2016. Tevens voert zij aan dat de terugvordering onder de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is.

 

Zoals gezegd oordeelde het hof dat werkneemster op 15 december 2015 ten onrechte op staande voet ontslagen is. Door het hof is werkneemster een billijke vergoeding toegekend omdat zij afzag van herstel van de arbeidsovereenkomst. De rechtbank oordeelt daarop dat werkneemster vanaf 1 juli 2016 een verlies aan arbeidsuren had, omdat vanaf die datum geen recht meer bestaat op loon. Volgens de rechtbank heeft het UWV dan ook terecht besloten om de eerste WW-dag te verschuiven van 15 december 2015 naar 1 juli 2016.

 

Door werkneemster is aangevoerd dat er sprake is van een dringende reden en dat terugvordering daarom onaanvaardbaar is.  De rechtbank oordeelt dat er volgens vaste rechtspraak van de CRvB slechts sprake is van een dringende reden wanneer de financiële en/of sociale consequenties van een terugvordering voor de betrokkene onaanvaardbaar zijn. Volgens de rechtbank is daar in deze geen sprake van. Werkneemster heeft haar stelling dat zij een forse schuld bij haar advocaat heeft en dat zij geld heeft geleend van haar ouders in onvoldoende mate onderbouwd. Daartegenover staat dat de billijke vergoeding inmiddels aan haar is uitbetaald en haar financiële situatie waarschijnlijk niet meer zo nijpend is. Het beroep wordt dus ongegrond verklaard.

 

Heeft u vragen? Of wilt u graag advies? Neem dan vrijblijvend contact op met SPEE advocaten & mediation. Onze arbeidsrechtadvocaten staan u graag met raad en daad ter zijde!