Slapend dienstverband en het recht op een transitievergoeding; de strijd is nog niet beslist!

 

Het thema “slapend dienstverband” blijft de gemoederen bezig houden. Tot voor kort was het vaste rechtspraak dat werknemers die in verzet kwamen tegen een slapend dienstverband bot vingen bij de rechter. Maar na de wetsontwikkelingen en uitspraken van de minister zijn de eerste uitspraken van rechters gewezen waarin geoordeeld is dat een slapend dienstverband niet van goed werkgeverschap getuigt (zie de eerdere artikelen die we hierover gepubliceerd hebben). Maar nog niet alle rechters zijn “om”. Dit blijkt wel weer uit een recente uitspraak van de rechtbank Overijssel.

 

In die zaak had de werknemer de rechter verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding, waarbij de werknemer tevens om toekenning van de transitievergoeding had verzocht. De werknemer was in 2015 namelijk langdurig ziek uitgevallen en met ingang van 16 augustus 2016 ontving de werknemer een IVA-uitkering. Werknemer vreest dat werkgever tot april 2020 wil wachten met het beëindigen van het dienstverband, terwijl voor werknemer in de loop van het jaar 2019 het recht op een transitievergoeding vervalt wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

 

Hoewel werkgever zich niet tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzet, voert werkgever wél verweer tegen toekenning van de door werknemer verzochte transitievergoeding. Het feit dat werknemer boos op werkgever is omdat zij hem geen transitievergoeding wil toekennen, maakt volgens werkgever nog niet dat de arbeidsrelatie verstoord is. Door het dienstverband slapend te houden handelt werkgever niet in strijd met goed werkgeverschap en ook niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Werkgever voert hiertoe aan dat zij niet verplicht is om een dienstverband met een langdurig zieke werknemer te beëindigen. Werkgever betwist verder onder andere dat zij het volledige bedrag aan transitievergoeding van UWV terug kan krijgen, en stelt dat zij een financieel belang heeft bij het slapend houden van het dienstverband.

 

De kantonrechter oordeelt als volgt: het behoort tot de keuzevrijheid/beleidsvrijheid van een werkgever om een arbeidsovereenkomst met een werknemer, die meer dan twee jaar arbeidsongeschikt is, door opzegging te beëindigen. Hiertoe bestaat géén wettelijke verplichting. De invoering van de Wet compensatie transitievergoeding maakt dat niet anders. Daarbij speelt mee dat een verzoek tot toekenning van een compensatie ook niet eerder dan 1 april 2020 zal kunnen worden ingediend. Dat betekent dat een werkgever zeer aanzienlijke bedragen aan uitgekeerde transitievergoedingen moet voorfinancieren zonder dat vaststaat wat de termijn is waarbinnen zij daarvoor geheel of gedeeltelijk via het UWV wordt gecompenseerd. Tegen die achtergrond kan thans niet gezegd worden dat de werkgever in kwestie geen rechtens te respecteren belang heeft om vóór inwerkingtreding van de Wet compensatie transitievergoeding slapende dienstverbanden niet te willen beëindigen. Vooralsnog concludeert de rechter dan ook dat werkgever niet ernstig verwijtbaar handelt door thans het dienstverband slapend te houden. Dat werknemer vóór 1 april 2020 reeds de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt en daardoor diens arbeidsovereenkomst eindigt, doet daar niets aan af. Dat is immers het gevolg van een wettelijke regeling waarop de werkgever geen invloed heeft.

 

De kantonrechter overweegt tenslotte wel nog dat ná inwerkingtreding van de Wet compensatie transitievergoeding, en nadat in de praktijk is gebleken hoe de administratieve beoordeling en afhandeling van de compensatie door het UWV geschiedt, er wél een situatie zou kunnen ontstaan waardoor het slapend houden van een dienstverband van een zieke werknemer zonder dat na twee jaar ziekte enig uitzicht (meer) bestaat op herstel, onder omstandigheden mogelijk kan uitgroeien tot ernstige verwijtbaarheid van de werkgever. Volgens de kantonrechter valt daarbij in het bijzonder te denken aan het geval dat de werkgever geen enkel ander rechtens te respecteren belang meer heeft dan uitsluitend het voorkomen dat een transitievergoeding moet worden uitgekeerd in weerwil van het besef dat deze geheel of grotendeels wordt gecompenseerd.

 

Kortom, ondanks dat de rechter in deze zaak voor deze werknemer niet gunstig heeft geoordeeld, sluit de rechter niet uit dat dit in de toekomst anders kan uitpakken. Dus helemaal onvoordelig is deze uitspraak niet voor werknemers.

 

Uiteraard blijven wij voor u de ontwikkelingen in de rechtspraak nauwlettend in de gaten houden.

 

Heeft u zelf te maken met een slapend dienstverband? Of wilt u hier meer over weten? Neem dan vrijblijvend contact op met een van onze arbeidsrechtadvocaten!

 

Lees hier onze andere artikelen over het slapend dienstverband:

 

https://www.spee-advocaten.nl/het-niet-opzeggen-van-het-slapend-dienstverband-is-in-strijd-met-goed-werkgeverschap-

 

en:

https://www.spee-advocaten.nl/oproep-minister-aan-werkgevers-om-zo-snel-mogelijk-een-einde-te-maken-aan-slapende-dienstverbanden-

 

en:

https://www.spee-advocaten.nl/welke-haken-en-ogen-kleven-er-aan-een-slapend-dienstverband

 

en:

https://www.spee-advocaten.nl/werkgevers-kunnen-compensatie-aanvragen-voor-transitievergoeding