Week 33 - Het slapend dienstverband bij een volledig arbeidsongeschikte werknemer: nog altijd sprake van goed werkgeverschap?

 

Er is al veel over te doen geweest en nog steeds houdt het de gemoederen flink bezig: het slapend dienstverband. Tot voor kort was het vaste rechtspraak dat werknemers die in verzet kwamen tegen een slapend dienstverband bot vingen bij de rechter. Maar na de wetsontwikkelingen en uitspraken van de minister zijn de eerste uitspraken van rechters gewezen waarin geoordeeld is dat een slapend dienstverband niet van goed werkgeverschap getuigt (zie de eerdere artikelen die we hierover gepubliceerd hebben). De meningen blijven nog altijd verdeeld. Op 29 juli 2019 heeft de Rechtbank Gelderland opnieuw in het voordeel van een werknemer geoordeeld.

 

Feiten

Op 4 mei 1986 is werkneemster in dienst getreden bij Menzis. Daar was zij in dienst als receptioniste. Op 5 augustus 2015 heeft zij zich ziek gemeld. Werkneemster lijdt aan de ziekte Dystonie, dat is een bewegingsstoornis. Zij is daardoor volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Op 1 augustus 2017 is door het UWV een IVA-uitkering toegekend op grond van volledige arbeidsongeschiktheid.  Er is geen sprake van zicht op verbetering of herstel. Werkneemster heeft Menzis al meerdere malen verzocht om haar arbeidsovereenkomst op te zeggen, met toekenning van de transitievergoeding. Daarop heeft Menzis laten weten dat zij niet bereid is om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Als de arbeidsovereenkomst niet wordt opgezegd, dan zal deze eindigen op 18 november 2019 omdat werkneemster dan de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Bij de rechter vordert werkneemster dat Menzis de arbeidsovereenkomst moet opzeggen op de b-grond, namelijk langdurige ziekte/arbeidsongeschiktheid.

 

Het oordeel van de rechter

Volgens de vaste rechtspraak is er geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever bij het slapend houden van de arbeidsovereenkomst, en hoeft dat niet te leiden tot het betalen van een transitievergoeding. De verplichting van de werkgever om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, mag niet (te) snel worden aangenomen. Onder omstandigheden kan het niet opzeggen van de arbeidsovereenkomst en het niet uitbetalen van de transitievergoeding in strijd zijn met het goed werkgeverschap. In dit geval is daar sprake van. De volgende omstandigheden spelen daarbij een rol. Werkneemster is reeds 35 jaar in dienst van Menzis. Begin augustus 2015 is zij arbeidsongeschikt geworden. Dat is het gevolg van een ernstige, progressief verlopende ziekte. Op grond van de nu bekende informatie en met de huidige stand van de wetenschap is kans op verbetering of herstel uitgesloten. Als gevolg van de ziekte leeft werkneemster in een groot (sociaal) isolement. Onder deze omstandigheden heeft werkneemster groot belang bij opzegging van de arbeidsovereenkomst, omdat zij dan aanspraak heeft op de transitievergoeding. Menzis heeft verder geen belang bij het laten voortbestaan van de arbeidsovereenkomst. Het belang dat Menzis stelt te hebben bij het niet hoeven opzeggen van de arbeidsovereenkomst en het niet hoeven betalen van de transitievergoeding is niet zwaarwegend genoeg om op te wegen tegen de belangen van werkneemster. Volgens Menzis zou de transitievergoeding naar zijn aard niet bedoeld zijn voor werknemers die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn. Dit bezwaar wordt door de rechter verworpen.

 

Verder maakt Menzis de vergelijking tussen werkneemster en de groep werknemers die geen aanspraak kunnen maken op transitievergoeding vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Deze vergelijking gaat echter niet op nu de wetgever heel bewust onderscheid heeft gemaakt tussen die groep werknemers en de groep werknemers met een slapend dienstverband. Dat de transitievergoeding hoger is dan het loon dat Menzis verschuldigd zou zijn als de arbeidsovereenkomst eindigt vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, staat niet in de weg aan het aanspraak maken op de transitievergoeding.

 

Tot slot is Menzis van mening dat zij een (indirect) financieel belang heeft bij het niet betalen van de transitievergoeding, omdat de premie die werkgevers dienen te betalen voor het Algemeen werkloosheidsfonds (Awf) in de toekomst mogelijk verhoogd wordt als er veelvuldig beroep wordt gedaan op de compensatieregeling. Deze stelling gaat evenmin op. De wetgever heeft namelijk bewust gekozen voor compensatie door middel van het Awf en de financiering van het Awf door middel van bijdrages van het collectief van werkgevers. Als het een vrije keuze van de werkgever zou zijn om de arbeidsovereenkomst niet op te zeggen of geen transitievergoeding te betalen, dan bestaat het risico dat, met name in gevallen waarin de werknemer duurzaam volledig arbeidsongeschikt is en de werkgever geen enkel belang heeft bij opzegging, het recht op transitievergoeding voor deze groep werknemers illusoir wordt. Wanneer het gaat om gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, is dat risico waarschijnlijk kleiner, omdat werkgevers dan veelal wel belang hebben bij opzegging, omdat bij het voortduren van de arbeidsovereenkomst ook de re-integratieverplichting blijft bestaan en de werknemer zich weer kan melden bij eventuele verbetering. Dat risico willen de meeste werkgevers niet lopen.

Het niet opzeggen van de arbeidsovereenkomst en het niet betalen van de transitievergoeding is in deze, gelet op de specifieke omstandigheden van het geval, in strijd met het goed werkgeverschap. De vordering van werkneemster zal dan ook worden toegewezen.

 

Het blijkt dus sterk afhankelijk van de situatie of het slapend houden van een dienstverband in strijd is met goed werkgeverschap. Als werkgever is het goed om bedacht te zijn op de gevolgen die het slapend houden van een dienstverband met zich mee brengt.

 

Heeft u hier vragen over? Of wilt u advies? Neem dan gerust vrijblijvend contact op met een van onze advocaten. Wij zijn u graag van dienst.