Betaling van gedeeltelijke transitievergoeding bij substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd

De Hoge Raad heeft onlangs geoordeeld dat een werknemer van wie de arbeidstijd structureel voor ten minste 20% wordt verminderd wegens bedrijfseconomische redenen of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid recht heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding, die correspondeert met het verloren gedeelte van het dienstverband.

In dat kader overwoog de Hoge Raad het volgende: weliswaar heeft een werknemer op grond van de wet geen aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding bij een vermindering van de arbeidsduur, maar deze mogelijkheid moet tóch aanvaard worden voor het bijzondere geval waarin - door omstandigheden gedwongen - wordt overgegaan tot een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd van de werknemer.

Als voorbeeld daarvan noemt de Hoge Raad:

1) het gedeeltelijk vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische omstandigheden; en

2) blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemer.

Zou de werknemer in zo’n geval geen gedeeltelijke transitievergoeding krijgen, dan zou de werknemer een deel van de vergoeding mislopen die hij bij algehele beëindiging van het dienstverband wél zou krijgen. Bij een algehele beëindiging ná een eerdere gedeeltelijke beëindiging wordt de transitievergoeding namelijk alleen over het resterende (kleinere) deel van het dienstverband berekend. Een vermindering van arbeidstijd wegens bedrijfseconomische redenen of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid dient echter niet voor rekening van de werknemer te komen, aldus de Hoge Raad.

Een werknemer heeft echter alleen recht op zo’n gedeeltelijke transitievergoeding, wanneer sprake is van een substantiële vermindering (van ten minste 20%) van de arbeidstijd, én deze vermindering bovendien ook structureel is.

Daarbij doet het er overigens niet toe of in het gegeven geval de vermindering van de arbeidsduur heeft plaatsgevonden in de vorm van (1) een gedeeltelijke beëindiging; (2) een algeheel ontslag gevolgd door een nieuwe, aangepaste arbeidsovereenkomst; of (3) aanpassing van de arbeidsovereenkomst.

De “gedeeltelijke transitievergoeding” moet in al die gevallen worden berekend naar evenredigheid van de vermindering van de arbeidstijd en uitgaande van het loon waarop voorheen aanspraak bestond.

De uitspraak van de Hoge Raad doet echter nieuwe vragen rijzen. Zo roept de uitspraak van de Hoge Raad bijvoorbeeld allereerst de vraag op hoe moet worden omgegaan met de situatie waarin de arbeidsovereenkomst eerst gedeeltelijk is beëindigd en deze later toch weer wordt uitgebreid?

En denk bijvoorbeeld ook maar eens aan de volgende situatie waarin niet de arbeidstijd, maar wel het loon van de gedeeltelijke arbeidsongeschikte werknemer wordt verminderd: bijvoorbeeld in het geval de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid de werkgever en de werknemer noodzaakt om structureel andere, minder belastende arbeid met de werknemer overeen te komen, tegen een substantieel lager loon. Wat geldt dan?

En hoe verhoudt een en ander zich met de nieuwe wet op grond waarvan een werkgever na 1 april 2020 bij het UWV compensatie kan claimen voor de transitievergoeding die op of na 1 juli 2015 is betaald aan de werknemer die is ontslagen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid?

Kortom, het laatste woord zal in deze kwestie voorlopig nog niet gesproken zijn.

Hoe dan ook, de uitspraak van de Hoge Raad maakt dat (nog meer dan voorheen) werkgevers bij het maken van afspraken over de aangepaste arbeid voor arbeidsongeschikte werknemers (zeker na afloop van de eerste 104 weken!) er goed op toe moeten zien dat duidelijk wordt afgesproken of sprake is van ‘passende arbeid’ of van ‘nieuwe bedongen arbeid’.

Heeft u vragen? Of wenst u advies? Neem dan gerust contact op met een van onze arbeidsrechtadvocaten. Wij staan u graag te woord!

De volledige uitspraak kunt u hier lezen: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:1617