Werkgever aansprakelijk voor val van trap in een door werkgever gehuurd kantoorpand.

 

Werkneemster is op 4 november 2014 in het trappenhuis van een door werkgever gehuurd kantoorpand ten val gekomen, en heeft daardoor schade geleden. Werkneemster liep namelijk, tijdens werktijd, met haar laptop in de hand via het trappenhuis van de zeventiende naar de zestiende etage. De trap die beide etages met elkaar verbindt, bestaat uit twee trappen met een bordes. Werkneemster heeft verklaard dat zij op het bordes is uitgegleden en van de tweede trap naar beneden is gevallen. Daarbij is werkneemster met haar hoofd tegen een betonnen muur geslagen, waardoor zij hersenletsel heeft opgelopen. Op 12 september 2017 heeft zij werkgever aansprakelijk gesteld voor de geleden schade. De werkgever heeft de aansprakelijkstelling doorgestuurd naar haar aansprakelijkheidsverzekeraar (hierna: Achmea). Achmea voert aan dat het risico van traplopen een algemeen bekend risico is, dat niet specifiek met de werksituatie te maken heeft. Daarnaast voert Achmea aan dat traplopen een alledaagse bezigheid is en dat de trap veilig is en aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Daarom bepleit Achmea dat op werkgever geen waarschuwings- of instructieplicht rust ten aanzien van het gebruik van de trap, reden waarom werkgever volgens Achmea ook niet aansprakelijk is voor de valpartij.

 

Werkneemster start een (deelgeschil)procedure waarin zij de kantonrechter verzoekt om vast te stellen dat sprake is van een op werkgever rustende zorgplicht jegens werkneemster ten aanzien van het gebruik van de trap. Werkneemster bepleit namelijk dat werkgever op grond van de wet een zorgplicht in acht moet nemen die ook de trap en het trappenhuis behelst. Op grond van de wet is de werkgever verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid laat verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Deze zorgplicht behelst niet alleen de inrichting en het onderhoud van de lokalen, de werktuigen en de gereedschappen waarin of waarmee de werknemer arbeid moet verrichten, maar ook de instructie die de werkgever aan de werknemer dient te geven bij gebruikmaking van lokalen, werktuigen en gereedschappen.

 

Bij zijn beoordeling neemt de kantonrechter het volgende mee. De centrale toegang van het kantoorpand gaat via liften. Het trappenhuis is alleen voor werknemers met een sleutel toegankelijk is. Vast is komen te staan dat de sleutel aan het personeel van werkgever – onder wie werkneemster – ter beschikking zijn gesteld, zodat ervan kan worden uitgegaan dat werkgever in ieder geval ermee heeft ingestemd dat haar werknemers van de trap gebruik (kunnen) maken. Ook staat vast dat werkgever de zestiende en zeventiende verdieping van het kantoorpand huurde en dat medewerkers van de trap gebruikmaken om tussen de zestiende en zeventiende verdieping heen en weer te gaan, omdat het altijd wel even duurde voordat de lift kwam. Naar het oordeel van de kantonrechter rechtvaardigen deze omstandigheden de conclusie dat de op werkgever rustende zorgplicht zich tevens uitstrekt over de trap en het trappenhuis tussen de zestiende en zeventien verdieping in het kantoorpand. Dat traplopen een alledaagse gebeurtenis is, doet hieraan niet af. Het verzoek van werkneemster wordt op dit punt toegewezen.

 

Nu vast is komen te staan dat werkneemster een arbeidsongeval is overkomen en schade heeft opgelopen in de uitoefening van haar werkzaamheden, staat de aansprakelijkheid van werkgever in principe vast. Het is vervolgens aan werkgever om aan te tonen dat zij haar zorgplicht is nagekomen, om zo (toch) aan aansprakelijkheid te (kunnen) ontkomen. Dit valt echter buiten het bestek van de deelgeschilprocedure. Daarom laat de rechter zich er niet over uit of de werkgever in deze zaak uiteindelijk al dan niet aan haar aansprakelijkheid ontkomt. Partijen zullen hierover verder moeten procederen.

 

Hoe dan ook, deze uitspraak toont aan dat een werkgever niet al te lichtzinnig moet denken over het onderwerp “werkgeversaansprakelijkheid”. Op grond van de wet rust op de werkgever een zorgplicht voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer, en wordt van de werkgever gevergd dat hij al die maatregelen neemt die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn functie schade lijdt. Maar deze zorgplicht gaat ook weer niet zover dat een absolute waarborg aan de werknemer wordt gegeven tegen arbeidsongevallen.

 

Uit vaste rechtspraak volgt overigens dat aansprakelijkheid van de werkgever voor letselschade die het gevolg is van zogenaamde huis-, tuin en keukenongevallen onder werktijd niet (snel) wordt aangenomen. Een werkgever schendt zijn zorgplicht namelijk niet als hij niet waarschuwt voor algemeen bekende gevaren, welke gevaren noodzakelijk aan het verrichten van de werkzaamheden zijn verbonden. Voorbeelden daarvan uit de rechtspraak zijn: het snijden van brood met een mes dat scherp is, een glimmend tegelpad in de tuin van een hotel dat na een regenbui glad is, het uitglijden bij het schoonmaken van een koffievlek op de vloer etc. Maar aansprakelijkheid kan in die zaken (toch) wél worden aangenomen als de werkgever de verwezenlijking van het algemeen bekende gevaar bij de uitoefening van de werkzaamheden eenvoudig kan wegnemen, maar dit nalaat te doen. In dat geval schendt de werkgever dus wél zijn zorgplicht.

 

Heeft u vragen? Of wilt u graag advies? Neem dan vrijblijvend contact op met SPEE advocaten & mediation. Wij staan u graag met raad en daad ter zijde!

 

De volledige uitspraak kunt u hier lezen: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2018:7395